Verslagen Radiocaf

Lezing 15 oktober 2019: Deense Erres/radiofon door John Koster

Een interessante lezing over een totaal onbekend toestel opgedoken in Finland. Denkelijk rond het jaar 1923 gebouwd. Een modulaire uitvoering, wat wil zeggen dat de gehele radio uit verschillende elementen bestaat die met messingverbindingsstrippen aan elkaar worden gekoppeld.

John Koster beheert de bibliotheek van de NVHR en zal zeker alles in het werk gesteld hebben om gegevens te achterhalen. John Koster is ook degene die lang geleden op het idee kwam om de verhaaltjes waarin Anneke een hoofdrol speelt samen te bundelen in een boekje.

Het zal in 1970 geweest zijn dat ik haar heb ontmoet op een feest in de particuliere universiteit gevestigd in Kasteel Nijenrode. Zij studeerde natuurkunde en vertelde mij ook geïnteresseerd te zijn in audiotechniek. Het bleek dat zij wist dat ik op de Frankfurter Messe een gitaarversterker had gedemonstreerd met in de eindtrap DTG110 germanium eindtorren (verslag radiocafé 18 november 2014). Het werd nog onverwacht een heel gezellig gesprek over het emmertje van Gravensande waarover ik een week eerder een lezing had gehouden.

Jaren later leek het mij leuk iets te schrijven over een jonge vrouw die alles wist te vertellen over radiotechniek. De boekjes waarin Anneke technische wonderen verricht waren snel uitverkocht, nog altijd is er vraag naar. Later heeft de NVHR nog een beperkte uitgave verzorgd in verband met het 30-jarig bestaan van onze vereniging. De tekst kan via e-mail nog altijd besteld worden bij de TC.

Deze avond in Zaandam was drukbezocht wat toch altijd prettig is voor een spreker. Het toestel stond te pronken op de tafel en maakte een diepe indruk op de aanwezigen. Zo rond 1918 luisterde men nog slechts met kristalachtige ontwerpen met grote glijspoelen. Er was nauwelijks nog wat te ontvangen maar het was toch bijna tovenarij als er een morsesein in de telefoonhoorn te beluisteren viel.

Als gewone arbeider was het een behoorlijke aderlating van de portemonnee om een dergelijke ontvanger samen te stellen. Alleen al voor de hoofdtelefoon moest men diep in de buidel tasten. Eventueel versterken met een radiolamp is misschien na lang sparen op te brengen. Maar dan zijn er ook nog nodig een accu, anodebatterij en een hoornluidspreker. Een geheel compleet toestel met lampen zou wel handiger zijn, maar telkens een stukje van het geheel te kopen kan gelukkig ook. Zo ontstonden toestellen die als een blokkendoos uitgebreid konden worden.

Het meegebrachte toestel is zo een combinatie, vier verschillende kastjes. Een tuner, hoogfrequent afstemunit, detector en een tweelamps laagfrequent versterker. Wonderlijk dat er een naam op staat R.S Stokvis. Is dat er later opgezet? Voor alsnog een raadsel. De honingraatspoelen zijn Engels te zien aan de voet een pen en een busverbinding. Waarom die vreemde voet? Want omdraaien van een honingraatspoel heeft geen zin; de werking blijft hetzelfde. Wil je de spoel andersom laten werken dan moeten er in het toestel de aansluitdraden omgewisseld worden van de spoelvoet.

In die tijd stonden de lampen boven op de kast. Ze hadden niet altijd een lange levensduur als men de gloeispanning hoog op draaide om toch hoopvol te proberen iets meer versterking te verkrijgen. Wat dus weinig zin heeft, maar wel dat de defecte lamp snel gewisseld kan worden.

Mijn fantasie gaat op de loop als ik het verhaal hoor over hoog in het noorden van Finland gevonden in een schuilhut moeilijk te bereiken door hoge sneeuw, dan krijg ik eerder het idee dat vanuit Engeland een Noordpoolreis is gemaakt en men voor het contact maken met de thuisblijvers een radio heeft mee gesjouwd. Tevergeefs want de accu is in de koude pool lucht al snel hard achteropgeraakt met haar zoveel te kunnen leveren Ampére-uur energie. En batterijen hebben bij min dertig graden een sterk verlaagde snelheid van elektronen in het zinkatoom dat deze liever niet naar buiten treden om de koolstaaf een bezoek te brengen.

Met andere woorden, na langdurig proberen om iets te kunnen ontvangen achteloos achtergelaten en verder getrokken. Een moeilijke tocht om de Noordpool te bereiken, zelfs het kompas wil niet goed werken. Het aardmagnetisme maakt met het naderen van de noordpool een hellende hoek van enkele graden en zal eenmaal op de het juiste punt met de naald recht naar beneden wijzen. Het is dan wel de magnetische Noordpool. De as van de wereldbol is iets verschoven maar dat punt zou volgens eerdere beschrijvingen te herkennen zijn aan een daar geplaatste vlag.

Een van de mannen loopt wat te mopperen, waarop de expeditieleider vraagt wat hem scheelt. Waarop de man gebukt onder een zware rugtas strompelend antwoord: “Ik krijg het steeds kouder”. De expeditieleider bergt zijn kompas op en zegt: “Prima, dan gaan we de goede kant op!“  Misschien was het wel Amundsen de Noorse poolreiziger die rond die tijd in de Noordelijke IJsvelden rond trok, teneinde de Noordpool te bereiken.

De lezing is als een spannend verhaal waar iedereen aandachtig naar luistert. Dit is niet zomaar een radio, nee een zeldzaam museumstuk, waar een geweldige geschiedenis achter schuil gaat! In de sneeuw werden zelfs nog enkele lampen gevonden. Het eerste kastje is slechts een afstemunit met twee spoelen waarvan een de terugkoppeling geregeld kan worden. De drie ander kastjes zijn wel voorzien van lampen. Gezien de laagohmige gloeidraadregelaars, moeten dat hel gloeiende lampen zijn geweest. De detector heeft geen lekweerstand, zodat we kunnen aannemen dat daar een laag vacuümlamp werd gebruikt. Dat geeft aan dat de radio ouder is dan wordt vermeld en ik dat eerder zie als een product uit rond 1920.

John Koster spreekt over Philips lampen D1 en D2 maar voor een dergelijk Engels toestel lijkt het mij eerder dat er in het begin DER lampen zijn gebruikt van Marconi. Vergeet niet dat Philips nogal een hoge prijs vroeg voor zijn kampen en dat niet voor niets onze beginnende radioamateurs lampen uit België naar Nederland smokkelden.

Het echte verhaal begint ruim twintig jaar later als het in 1939 wordt gevonden in een afgelegen zomerhuis in Finland. Deze geschiedenis staat uitgebreid beschreven in Vintage Radio Web op internet. Een groot deel van die tekst kregen wij die avond te horen, een boeiend verslag over het onderzoek betreffende de herkomst van dit toestel.

Klik voor groter formaat

Na het schema besproken te hebben werd de ontvanger aangesloten op een voeding ten einde het apparaat te demonstreren. John Hupse had daarvoor een zender gebouwd omdat enig andere ontvangst in onze ruimte vrijwel onmogelijk is. De zaal lijkt op een kooi van Faraday, een kooi gevormd door alle mogelijk denkbare strooivelden. Het derde kastje werd voorzien van een weerstand zoals getekend in het schema van de detectorkast. Het zou de lekweerstand zijn voor de nu gebruikte hoog vacuümlamp te vergelijken met een type A409. (Ik weet het niet zeker of ik goed heb verstaan, maar het zouden Sferica lampen zijn die nu gebruikt worden. Werden die niet lang geleden in Antwerpen te koop aangeboden in een radio-onderdelen winkeltje met de naam op de winkelruit “Oma Brandora” of een naam wat daarop lijkt).

De verwachtingen waren hooggespannen, maar hoe er ook werd afgestemd of met de spoelen bewogen, soms hoorden we slechts fluitsignalen. Dat zou beteken dat er een hoogfrequent signaal binnenkomt en gaat fluiten zo gauw de generende detector in de buurt van deze frequentie komt. Dat wil zeggen een onderlinge verschilfrequentie die wij kunnen horen. Maar we horen geen audiosignaal.

Ed Plevier liet mij weten dat de zender waarschijnlijk wordt gemoduleerd op het oscillatorrooster. Ja dan kan moeilijk flink gemoduleerd worden, hooguit 20% onvoldoende om luid een duidelijk een krachtig gemoduleerd signaal erg ver de aether in te sturen. Zelf had ik ook een zendertje mee genomen met een gering bereik van hooguit 10 meter die ik gebruik op de reparatiedagen. Ik kon met verdraaien op de afstemming de fluitsignalen die de radio liet horen van toon doen veranderen. Ik was dus te ontvangen.

De modulatie geschiedt hier in deze transistor BC141 zendertje in de voeding (Heizing modulatie) en is bijna 100%. Nu is het zo met een zender dat je een draaggolf uitstuurt die je kan vergelijken met een besteldienst die voor komt rijden. Een klein pakketje kan door de brievenbus, dat hoor je nauwelijks maar voor een zwaar pakket wordt er aangebeld. Dus met mijn flinke modulatie zou ik hoorbaar moeten zijn. Maar nee! Met mijn antenne direct aangesloten op de antenne-ingang van de radio werd heel zacht iets gehoord.

Tijd om op te ruimen. Ed had het schema aan mij doorgegeven en ik heb dat nog ter plaatse doorgenomen en nu zag ik dat eigenlijk Anneke langs had moeten komen. In het boek van Anneke staat in het hoofdstuk op bladzijde 34 “De simpele ingreep” dezelfde storing beschreven. Ach men ziet het gauw over het hoofd, bij het schema van de Radio Detector staat wel een aangesloten weerstand getekend, maar dat kan nooit een lekweerstand zijn.

Eerder aansluitingen om een laagfrequentingang mogelijk te maken. Een lekweerstand aan het rooster moet zoals bekend altijd aangesloten worden op de plusaansluiting van de gloeidraad. Maar het kan ook zijn dat het verkeerd is aangesloten op de 4 volts gloeispanning. Zelf ook niet aan gedacht tijdens de demonstratie. Ach niet belangrijk. Het gaat om de radio waarmee in 1920 ook niet veel ontvangen kon worden. Den Haag was in ieder geval te ver weg.

Alhoewel. Het nummer 'Turf in je ransel' dat door Idzerda werd uitgezonden, had misschien een morele steun geweest voor de man die met een zware rugtas bij 20 graden onder nul door de sneeuw sjokte. Toch weer een leuke leerzame voordracht verzorgd door onze bibliotheekbeheerder John Koster met een bijna 90 jaar oude prachtig gerestaureerde radio.

Zie ook de website van John Koster

Piet van Schagen PA3HDY