Film en geluid, de geschiedenis

door:Lieuwe van der Velde

Inleiding
Het zou tegenwoordig vreemd zijn om geen geluid bij een video opname te hebben. Nog niet zo lang geleden was het filmen met 8 mm film heel gewoon en daar zat meestal geen geluid bij.
Er waren uiteraard amateurfilmcamera’s die geluid konden opnemen. Daarvoor was op de film een magnetisch spoortje aangebracht. En op die manier kon er dus synchroon geluid worden opgenomen.
En omdat ik nogal wat oude 8 mm filmpjes overzet naar dvd of blue ray, wil je daar dan uiteraard meer van weten. Dus, hoe ging dat vroeger en vooral, wat ging er allemaal aan vooraf, voordat er film met geluid kon worden vertoond. Dat kan nooit in een paar bladzijden vermeld worden, dus vandaar dit wat langere verhaal.

De invoering van geluid bij film
De invoering van geluid bij film is een enorme gebeurtenis geweest in de geschiedenis van de film.
Voordat dat iemand op het idee kwam om het geluid optisch te registreren, dus direct op de film, bestond voor die tijd een flinke industrie met aan de projector gekoppelde grammofoonplaten.
De omschakeling naar geluidsfilm is in Amerika begonnen. De film The Jazz Singer zorgde voor een enorme doorbraak in het seizoen 1927/28.
Uiteraard zijn deze gebeurtenissen niet aan Nederland ongemerkt voorbij gegaan.
Lang voordat de geluidsfilm in Nederland zijn intrede deed, werd er al door grote financiers geld in deze ontwikkeling gestoken. Met name de Duitse plannen spraken zeer aan en zo kwamen deze financiers in het bezit van de firma Tobis AG. Dit was de onderneming die de belangrijkste octrooien op filmgebied bezat. Zeker na 1930 moesten dus de bioscoopeigenaren flinke investeringen doen om de benodigde geluidsapparatuur aan te schaffen.
Natuurlijk was het niet zo dat in de periode voor 1930 een film in stilte werd bekeken. Men deed er alles aan om het publiek te vermaken. Een leger van muzikanten verdiende hier zijn brood mee. Er is zelfs een tijd geweest, dat iemand een film van gesproken commentaar voorzag. Maar ook de (bijna) echte geluidsfilm was al tijden geen onbekende.
Door een vernuftig systeem wist men beeld en geluid aan elkaar te koppelen door middel van 78-toeren platen. Maar hierover straks meer. Dus wat werd aangekondigd als de komst van de geluidsfilm is eigenlijk niets anders geweest dan het combineren van beeld en geluid. Op zich al moeilijk genoeg, daar niet van.

Ontwikkelingen in Nederland en Duitsland
De bakermat van de Nederlandse geluidsfilm was de firma Elektra. Met producties als Willem van Oranje en De Jantjes hadden ze veel succes. Waar kwam de Nederlandse bemoeienis met de geluidsfilm vandaan? Die moet worden gezocht in Berlijn in het midden van de jaren ‘20.
De radio- en grammofoonproductie daar, zou de drijvende kracht worden achter de film met geluid. Met name in Duitsland maakte de radio- en grammofoonindustrie een enorme groei door. Zoals in een vorig verhaal al besproken, heeft Küchenmeister daar een belangrijke rol in gespeeld.
En zo komen we in de richting van de geluidsfilm, want in de tweede helft van 1927 werd Küchenmeister betrokken bij de ontwikkeling van de geluidsfilm. Hij had toen intensieve contacten bij de UFA (Universum Film AG). Deze grote Berlijnse filmstudio was sinds een jaar bezig met proeven voor geluidsfilm. Deze afdeling heette TriErgon en ze waren druk bezig met het op fotografische wijze toevoegen van geluid aan film. In mijn stukje in RHT 159 is dit naar voren gekomen

De pioniers van de Loetafoon
Al in 1895 had Edison de Kinetofoon geïntroduceerd. Een filmapparaat gekoppeld aan een fonograaf. Sindsdien waren en regelmatig nieuwe combinaties van film en plaat verschenen. Maar het lot van dit synchronisatiesysteem leek voorgoed bezegeld, zeker toen in Amerika het optische geluid begon. Desondanks zou in Nederland en ver daarbuiten, het grammofoon/projectorsysteem een tijdelijke, maar grote bloei beleven.

De Loetafoon
Na onderzoek, o.a. in Engeland en gesteund door Philips, kwam in Nederland in 1929 een redelijk betaalbaar systeem op de markt, dat goed werd verkocht. In Nederland heeft Loet C. Barnstijn het voortouw genomen met dit systeem, dus vandaar de naam Loetafoon. Dus een systeem voor het synchroon laten lopen van plaat en film.
De Loetafoon had zijn eigen spreuk, net als de Ultraphon. Dit is te zien in een advertentie in de Breskensche Courant van 1930
Dus: Loetafoon spant de kroon in woord en toon.


Advertentie in de Breskensche Courant uit 1930.

(Van dit theater kon ik niet veel terugvinden, maar wel hoe het aan deze aparte naam kwam. De naam is afgeleid van de eerste letters van de namen van de drie dochters van de eigenaar. SUsanne MAria en Johanna. Dit theater aan de Boulevard in Breskens heeft bestaan van 1923 tot 1945 en in die jaren adverteerden ze veel in de Breskensche Courant.)

Engeland
Voor dit onderzoek gingen in 1928 Loet Barnstijn en zijn vriend ir. Frits Prinsen naar Engeland om zich op de hoogte te stellen van geluid bij film. Frits Prinsen was een begaafd technicus en werkte bij Philips. En deze twee belangrijke mensen zijn niet af te doen met een paar regeltjes. Dus even wat meer over deze twee personen.

Frederik Bernardus Archibald (Frits) Prinsen
Geboren op 28 september 1895, overleden op 15 november1981.
Prinsen werd geboren in Den Helder, zijn vader was daar gemeentesecretaris. Door zelfstudie werkte Prinsen zich op tot elektrotechnisch ingenieur. Prinsen trad in dienst van Philips en maakte daar een revolutionaire filmlamp. Het was een lamp voor de projector met een inwendige spiegel. Daarna raakte hij betrokken bij de ontwikkeling van projectieapparatuur en dit leidde mede tot de bouw van de Loetafoon. Later ontwikkelde hij het eerste licht/geluid- apparaat. Hierin kon een film worden afgedraaid die voorzien was van een optisch geluidspoor.
Verder maakte Prinsen een automatisch diafragma voor smalfilmcamera‘s. Het doorliep een lensopening van F4.5 naar F16. Dit automatische diafragma werd voor het eerst gebruikt in een camera van het Nederlands-Zwitserse merk Schalie-Colleé.


De Schalie-Colleé camera.

Prinsen weet ook de directie van Ditmar, een Weense petroleum kachelfabriek, te interesseren voor de productie van vijfduizend filmcamera's met belichtingsautomatiek. Naast kachels maakten ze ook veerwerk camera’s.


De Ditmar veerwerkcamera.

Tengevolge van de dreigende oorlog werden de plannen maar voor een deel uitgevoerd. Ook de directeur van de oudste camerafabriek, Voigtländer te Braunschweig, is geïnteresseerd, maar een volautomaat vond hij te gedurfd.
Frits Prinsen vestigde zich op 15 november 1938 te Rotterdam met zijn 'Laboratorium Prinsen'. Op 1 september 1939 werd het laboratorium verplaatst naar Beek bij Nijmegen. Het bedrijf maakte belichtingsmeters in serieproductie. Na de oorlog gaat Prinsen een dienstverband aan met Agfa in München. Hij wordt belast met het verder ontwikkelen van zijn automatisch diafragma. Samen met Hille Kleinstra (fotograaf en publicist) maakt Prinsen een automatisch werkende afstandsinstelling op een Ilford kleinbeeldcamera. Ook experimenteert hij met afstandsinstelling met behulp van een tweetal fotocellen op een Agfa Flexilette camera.


De Agfa Flexilette.

Tot zover een wel zeer beknopt loopbaan verhaal van deze begaafde technicus.
Frits Prinsen overlijdt op 15 november 1981 te Den Haag.


Ir. Prinsen met de dubbele Loetafoon.

Loet C. Barnstijn Geboren op 22-06-1880, overleden op 25-12-1953.

Bioscoopexploitant en filmdistributeur Loet C. Barnstijn werd in 1880 geboren als Lodewijk Cohen. In 1912 verkocht hij zijn goedlopende Haagse textielzaak, om een bioscoop te beginnen. Om zich van andere Cohens te onderscheiden, doopte hij zichzelf Loet C. Barnstijn, naar zijn moeders meisjesnaam. Ook begon hij als filmverhuurder en richtte mede de Bond van Exploitanten van Nederlandsche Bioscoop- Theaters op. Verder had hij een goedlopende bioscoop in Den Haag.
In 1919 ging hij zich vooral met de distributie van Amerikaanse importfilms bezig houden. Omdat Barnstijn de ontwikkelingen in de Verenigde Staten op de voet volgde, zag hij al vroeg welke grote veranderingen de komst van de geluidsfilm met zich mee zou brengen.
In 1929 ontwikkelde hij samen met Prinsen (voor een deel bij Philips) de Loetafoon, zijn eigen systeem voor geluidsfilmprojectie. In de paar jaar daarna produceerde hij als eerste in Nederland een korte geluidsfilm.

Het succes van de eerste lange geluidsspeelfilm De Jantjes, waar Barnstijn als geldschieter bij betrokken was, zette een reeks nieuwe producties in gang. Barnstijns prioriteit lag bij commercieel succesvolle films als Malle gevallen en De familie van mijn vrouw, omdat hij geloofde dat de Nederlandse film alleen kon bestaan bij de gratie van een eigen bloeiende filmindustrie. Daarom opende Barnstijn het geheel nieuwe studiocomplex Filmstad bij Wassenaar in 1935. De Filmstad-studio's produceerden helaas geen grote successen, zodat het Barnstijn-imperium enigszins in het slop raakte. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was Barnstijn in de Verenigde Staten, maar zijn bezittingen werden geconfisqueerd. Niet lang daarna, in 1944, legde een Brits bombardement het Filmstad-complex in puin. Het was de bedoeling om de daar vlak bij gelegen startbanen te raken van de V2-raketten, maar dit mislukte dus. (Van het Eye museum heb ik een paar foto ’s van dit complex gekregen; voor belangstellenden zijn die beschikbaar.)
Na de oorlog besloot Barnstijn zich permanent in de Verenigde Staten te vestigen. In 1953 overleed hij.


Loet Barnstijn.

Terug in Engeland
Beide mannen wilden dus met eigen ogen zien hoe de ontwikkeling op het gebied van geluidsfilm er voor stond. Barnstijn hoopte dat Prinsen genoeg ideeën in Londen zou opdoen, om voor hem een systeem te bouwen dat film en grammofoonplaat synchroniseerde. In Londen haastten de beide mannen zich van afspraak naar afspraak, waarbij de naam Philips zeker niet op de achtergrond bleef. Zo maakten ze kennis met het optische geluid bij Fox Movietone. Ze bekeken uiteraard zeer nauwgezet het Vitaphone systeem dat met platen werkte.
Ze waren danig onder de indruk van het Blattnerphone systeem dat zowaar met een magnetisch systeem werkte. En dat al in die tijd.
Op de Blattnerphone kom ik later terug.


De Blattnerphone.

Verder met Prinsen en Barnstijn in Londen
Prinsen maakte veel schetsen en aantekeningen en terug in Nederland ging hij aan de slag. Hij nam zonder te aarzelen contact op de heer Otten. Dit was een vooraanstaand lid van de Philipsdirectie. Hij besprak met hem wat ze in Engeland hadden gezien en hij wist Otten er van te overtuigen dat het systeem met de grammofoonplaten ideaal was. Ook waren Dr. Gilles Holst en Ir. Siks bij dit project betrokken. Op maandag 5 november 1928 besloot de directie van Philips, Prinsen een grammofoonspeler te laten bouwen, die aan de bestaande projectors in de bioscoop kon worden gekoppeld. Juist omdat dit een niet al te hoge investering van de bioscoopexploitanten zou zijn, want in elke bioscoop stond immers al een projector.
Dit was mechanisch niet gering want er waren meerdere types projectors in de omloop. En Philips wilde voor de kerst een demonstratie!!

Verder in Nederland
Op onderstaande foto zien we de proefopstelling van Prinsen. Helaas is de foto niet geweldig.


De proefopstelling van de Loetafoon.

De taak van Prinsen werd eenvoudiger toen Barnstijn midden november een apparaat uit Engeland liet komen, waarmee korte films met een 78-toeren plaat konden worden afgespeeld. (Dit was de Vitaphone die beiden in Engeland al hadden bekeken.)


De Vitaphone.

Een dergelijke plaat duurde 3 minuten en dat was genoeg voor 100 meter film. Met 2 gesynchroniseerde draaitafels kon je dus met enige oefening 200 meter een film draaien door over te schakelen van de ene naar de andere plaat.
Het lukte Prinsen om eerst, zonder medeweten van Philips, een demonstratie van zijn machine te geven in de Haagse bioscoop van Barnstijn. Prinsen wilde eerst zeker weten of alles goed werkte voor hij de directie van Philips zijn machine liet zien. Het systeem van Prinsen werkte direct uitstekend! De motor van de projector dreef ook de grammofoon aan en na de start van het geheel, moesten draaitafel en projector op toeren komen. Dit alles met een zeer doordachte set tandwielen en magneetkoppelingen. Zodra alles mooi liep, passeerde een speciaal stukje film met een inkeping een kwikschakelaar en met een relais werd het mechaniek in werking gezet, dat de toonarm netjes op de plaat deed zakken.
Deze procedure werkte goed en op 21 december 1928 gaf Prinsen een demonstratie en zo had hij nog net op tijd aan de opdracht voldaan.
De voorstelling was een groot succes en ir. Otten was zeer tevreden.
Maar Barnstijn zag vanuit Amerika een probleem opdoemen. Daar werden op steeds grotere schaal de 78-toeren platen verdrongen door de 33-toeren platen. Ook was de doorsnede veel groter (40 cm) en een dergelijke plaat kon ongeveer 300 meter film begeleiden.
Na overleg met Prinsen ontwikkelde die (even!!) een draaitafel die zowel op 33 en 78 toeren kon draaien. Dus zo konden veel bioscopen beide systemen gebruiken.
Blijkbaar bestond een dergelijke draaitafel nog niet, want er werd in 1929 octrooi op aangevraagd en dit werd verleend.
(Het was aan degene die de films draaide om de platen te wisselen en vooral om de platen in de juiste volgorde te leggen… Toen kon je niet zomaar even weglopen tijdens de filmvoorstelling!)

Apart is nog, dat dit octrooi niet op de naam van Philips of Prinsen stond, maar op naam van Barnstijn. Bij Philips mocht niemand weten dat Prinsen niet alleen in Eindhoven, maar ook in Den Haag aan het werk was.
Buiten het zicht van Philips, maar wel met medeweten van Barnstijn, werkte Prinsen nauw samen met William Rienks. Laatstgenoemde had een elektrotechnisch bedrijf in Den Haag. Daar werd het mechanische gedeelte van de synchronisatie tussen projector en draaitafel gebouwd. Barnstijn moet op de hoogte zijn geweest dat hier bij Philips geen mogelijkheid voor was.
In de bioscoop van Barnstijn werd vervolgens met een Philips-versterker en luidsprekers het geheel gedemonstreerd.
Loet Barnstijn was ook degene die de naam heeft bedacht voor dit toestel. Hij noemde het dus de Loetafoon.


De Loetafoon: schets van Prinsen.


Advertentie voor de Loetafoon.

Na de succesvolle demonstratie van 21 december 1929 zat Barnstijn een paar dagen later aan de directietafel bij Philips. Hij wilde de alleenvertegenwoordiging van het geluidsysteem en dat niet alleen in Nederland, maar wereldwijd…!!!
In januari 1930 kwam de directie van Philips bij elkaar om een standpunt te bepalen. Bij Philips was voorlopig geen ruimte om het synchronisatiedeel en de draaitafel te maken… De werkplaatsen waren al overbelast. Dus Barnstijn moest maar proberen om deze onderdelen van het systeem bij een ander te laten maken… (dat had hij dus al lang geregeld bij Rienks!). Wel eiste Philips de versterkers en de luidsprekers te leveren. Dus Barnstijn moest er voor tekenen dat hij de geluidsinstallatie niet bij een andere firma zou kopen.
Niet alleen had hij dus Philips op technisch gebied achter zich, maar ook kon hij (tenminste dat hoopte hij) beschikken over de mogelijkheden die een dergelijke kapitaalkrachtige partner kon bieden. Hij had allang begrepen uit diverse gesprekken dat de meeste bioscoophouders deze apparatuur alleen op afbetaling zouden kunnen kopen. Hij rekende dus wat dat betreft ook op medewerking van Philips.
En eind januari 1929 richtte hij de NV Handelmaatschappij Loetafoon op en hij begon direct met een intensieve reclamecampagne en uiteraard gaf hij voor de pers op 22 januari, samen met Prinsen, in zijn eigen bioscoop, een perfecte demonstratie. De pers kreeg 2 lange stukken te zien uit de Tempest en Two lovers. Dit waren Amerikaanse films. Hij kon niet de hele film laten zien want op dat moment had hij maar 1 Loetafoon! Maar het was een Loetafoon voor een 33-toeren plaat, dus de stukken film waren behoorlijk lang. De voorstelling sloeg enorm aan en overal in de pers verschenen lovende verhalen over Barnstijn, de Loetafoon en de versterkers van Philips (Prinsen werd slechts zelden genoemd). Ook werd de prijs van het systeem bekend gemaakt en deze bedroeg 6000 gulden. Dit was een fractie van prijs van de Amerikaanse toestellen, die vele malen meer kostten.
De eerste echte openbare voorstelling met de Loetafoon vond plaats op 31 januari 1929 (de vaart zat er goed in). Deze voorstelling vond plaats in Utrecht in Het Floratheater, waar een broer van Barnstijn directeur was.

Voorstellingen


Het Floratheater in Utrecht.

Iedereen die het zich kon veroorloven zat in de zaal en het publiek werd direct al verrast met een gefilmd optreden van de violist Albert Sandler.


Albert Sandler.

En er volgden nog een paar korte films. Indrukwekkend voor die tijd, zeker weten. Maar om echt door te breken met dit systeem, had Barnstijn toch echt een avondvullende speelfilm nodig.
Op 15 maart 1929 was het dan zover. In het Apollotheater in Den Haag stonden 2 Loetafoons van 33 toeren opgesteld en het publiek kon kijken en luisteren naar de film Two Lovers ( in het Nederlands heette deze film Onder Alva’s bewind).

Voor dit doel had het theater, onder leiding van dhr. Viskoper, dus 2 Loetafoons aangeschaft, twee flinke Philips-versterkers (40 W) en maar liefst 8 luidsprekers. Hier voor werd een prijs bedongen van 10.500 gulden. De Haagse courant was zeer enthousiast en elke avond zat de zaal vol. Met als gevolg, dat de gehele installatie al na 4 weken was terugverdiend!!

Het Amsterdamse publiek heeft voor het eerst met de geluidfilm kennis gemaakt in het Cinema Royal theater. Dit theater was de belangrijkste concurrent van Tuschinski en toen bekend werd dat de directie van Tuschinski geluidsapparatuur had besteld bij Western Electric, wilde Cinema Royal koste wat het kost Tuschinski voor zijn. Er werd letterlijk dag en nacht gewerkt om de Loetafoon-installatie te monteren en op 11 april 1929 woonden honderden genodigden de vertoning van de film The woman disputed, bij.

En vanwege het enorme succes van dit alles werd Barnstijn door de VARA uitgenodigd om een radiotoespraak te houden, over het succes van de Loetafoon.

Dus Cinema Royal had gewonnen en pas op 10 mei zou Tuschinski een geluidsfilm vertonen: Broadway Melody.

De Loetafoon bestond aanvankelijk uit drie draaitafels van 78 toeren en een mechanisme dat gekoppeld was aan de projector. Van deze opstelling zijn er niet zo veel verkocht, want al gauw bleken de 78-toeren machines overbodig.


De Loetafoon 33-toeren en projector.

Verbeteringen en verdere ontwikkelingen
Dus even later bestond het geheel nog maar uit een projector, gekoppeld aan 1 33-toeren draaitafel. Als het kon, kocht men er meestal 2 want dan kon je langere films vertonen. Dit was financieel ook een stuk aantrekkelijker, dus de bestellingen begonnen binnen te stromen. Dankzij zijn ondernemende optreden, had Barnstijn een duidelijke voorsprong gekregen op zijn concurrenten. Maar laten we daarbij zeker het team van Prinsen, die het systeem vervolmaakte, vooral niet vergeten. Het gehele systeem was niet goedkoop, maar direct leverbaar en de garantie van Philips deed wonderen.
Maar Barnstijn ging bijna ten onder aan dit succes. Hij had behoorlijk veel geld, maar de financiering van al weer een verkocht systeem, putte zijn kapitaal snel uit. Dat zagen ze bij Philips ook wel en als ze met Barnstijn verder wilden, dan was nu het moment gekomen om hem te steunen. Maar dat ging niet zomaar. De directie stelde als eis dat zo gauw er ruimte was om de mechanische onderdelen in eigen huis te kunnen maken, het concern zijn eigen weg hiermee zou gaan. De oplossing was radicaal: Philips kocht de NV Loetafoon van Barnstijn voor 25.000 gulden en alles was opgelost. Maar deze transactie moest absoluut geheim blijven. Er was nu de mogelijkheid gekomen om de Loetafoon technisch te verbeteren.
Barnstijn hoefde zich nu niet meer druk te maken over de dagelijkse gang van zaken en trok Nederland in en wist de ene na de andere order binnen te halen.
Een goed service dienst was onmisbaar. De Loetafoon, met alles wat er bij hoorde, was behoorlijk kwetsbaar.

Ook kwam na verloop van tijd het nadeel van dit type synchronisatie aan het licht. Als de film door breuk en daarna weer plakken, een aantal beeldjes miste, ging de synchronisatie met de plaat uiteraard fout. Men vulde de verdwenen beelden vaak weer aan met een zwart stukje stuk film, maar dat vereiste veel oefening. De filmoperateur had bijna een dagtaak, om de film ‘s avonds weer goed te laten lopen.
Inmiddels zat Prinsen ook niet stil en al gauw wist hij alles van de optische geluidsfilm, die sterk in opkomst was.
Manoeuvrerend tussen alle bestaande octrooien door en met een enorm gevoel voor techniek was in december 1929 zijn optische toestel klaar. Opvallend was dat het kon werken naast de bestaande Loetafoon. Dus met dezelfde projector en versterker!! Hierin onderscheidde dit geheel zich duidelijk van andere merken. En op deze manier hadden Barnstijn en Philips geen reden tot klagen. Het systeem verkocht met deze aanvulling beter dan ooit.
Het moet dan ook iets ongelofelijks zijn geweest, toen Barnstijn plotseling meldde dat hij er geen zin meer in had...!! Hij kwam met een lijst vol klachten bij Philips en wilde graag van alle verplichtingen af. Maar Philips zag Barnstijn niet graag vertrekken. Begin 1930 waren ze nog lang niet klaar met een eigen lijn van film- en geluidstechniek. Na dagen onderhandelen kreeg Barnstijn een nieuw contract, maar de verhoudingen waren geschaad en de Nederlandse markt raakte verzadigd. Dit neemt niet weg dat 1930-1931, voor Philips weer een uitstekend jaar zou worden voor de Loetafoons. Ze kwamen zelfs al in het buitenland terecht. Een complete set, dus 2 grammofoons en een optisch geluidsdeel kostte destijds tussen de 8000 en de 12.000 gulden. Hierbij waren versterkers inbegrepen. Er was keuze tussen een 25 en 50 W versterker. Uiteraard was voor de hele grote bioscoop een nog grotere versterker leverbaar.


De 50 W Philips-versterker.


De complete installatie voor de filmvertoning.

Van beneden naar boven zien we de twee versterkers, daarboven het bedieningspaneel en een voeding voor de belichtingslampjes, daarboven een oscilloscoop waarop men het beeld van diverse uitgangsspanningen kon zien en bovenin de aansluitklemmen en de controleluidspreker.

Eigen productielijn van Philips
Eind 1930 slaagde Philips er eindelijk in om een productielijn op te zetten voor gesynchroniseerde grammofoons en optische geluidskoppen. Tot dan toe werd dit mechanische deel nog steeds bij Rienks gemaakt.
Vanaf begin 1931 verlieten er ongeveer 8 systemen per week de fabriek. Tussen 1931 en 1932 verkocht Philips maar 15 installaties in Nederland maar 550 in het buitenland.
Het langzaam maar zeker verdwijnen van de grammofoon plaat bij filmvertoning was voor Philips aanleiding om een eigen projector op de markt te brengen waarin het optische geluidsgedeelte geheel verwerkt was. Deze projector heette de Philisonor en de internationale verkoop van Philips-filmartikelen werd daarna geheel verzorgd door Philips Cinesonor NV en de naam Loetafoon verdween.


De Philisonor.

Over de techniek van geluid bij film vindt u een artikel in RHT 159.

Met dank aan de geweldige medewerking van de heer Karel Dibbets en Het Eye filmmuseum
Weekblad Cinema en theater 1925
Veerwerk 1945